Op 25 april 2015 droeg schrijver en columnist Elfie Tromp ter gelegenheid van de opening van de tentoonstelling GLAS de volgende tekst voor:

'Beestje!'

Aurelie grijpt naar de vlinder die op de shaslickpen vol rottend fruit zit. Het insect fladdert weg en ik houd een vinger voor haar gezicht.

         'Vlinder,' verbeter ik haar en ze knikt plechtig. 'Kijken met je ogen,' voeg ik eraan toe, maar ik ben haar al weer kwijt. Ze leunt naar achteren, hopend dat ik door het gewicht van haar veertien peuterkilo's loslaat. Haar blik zoekt de struiken rondom ons af, waar haar grote broer in verdween bij onze aankomst in de botanische tuin. Af en toe horen we het geklepper van zijn te grote sandalen. Ik ben blij dat ik Aurelie als excuus heb om niet meer achter hem aan te hoeven rennen. Plots staakt ze haar protest. Vreedzaam lopen we hand-in-hand naar het midden van de kas, naar een modderige vijver met waterlelies. Ik laat Aurelie los en ga op een bankje zitten. Ze loopt eerst een paar stappen links, dan terug naar rechts. Ze buigt over de vijverrand, laat haar vingers door het water gaan, krabt aan de pleister in haar nek.

         'Niet aanzitten,' zeg ik.

         Betrapt gaat het handje weer naar beneden. Een witte vlinder daalt, komt naast me zitten. De vleugels zijn zwart omrand als een rouwkaart. Hij vouwt zichzelf open. Even verwacht ik een minuscule boodschap van troost, maar er staat niets op het grijze lijfje. Ik kijk op de determinatiefolder die we bij binnenkomst kregen. Het is een groot koolwitje. Nu weet ik hoe hij heet. En daar blijft het bij. Ik kijk naar de vlinder, misschien kijkt het dier ook naar mij. Geen idee wat vlinders zien. Ik behoor tot de achtentwintig procent hoogopgeleiden die dit land heeft, toch weet ik vrij weinig. Ik weet bijvoorbeeld niets over vlinders.

         'Honger.' Aurelie staat voor me.

         Ik rommel in de tas, pak het plastic bakje met de voorgesneden plakjes banaan die door de warmte en de tijd bruin en slijmerig zijn geworden. Het lijkt mijn dochter niet uit te maken. Smakkend stopt ze de stukken achter elkaar in haar mond.

         'Boris!' roep ik. 'Snacks!'

         Ik wacht even en herhaal mijn lokroep. Dan hoor ik de sandalen klepperen. Als een paard met losse hoefijzers, in galop naar de voederbak.        'Ugh, dierenvoer.'  Afkeurend wijst hij naar zijn zusjes bananenplakjes en grist dan de Mars uit mijn hand. Hij hield als baby al niet van fruit. Wat ik ook deed - pureren, prakken, er ijs van maken - als er geen schep suiker overheen ging, moest hij het niet.

         'Heb je mooie vlinders gezien?' vraag ik, maar hij reageert niet, kijkt wild om zich heen. Ik vraag me af of hij überhaupt wel iets ziet, ik bedoel, echt zien. Mijn kinderen zien hun omgeving meer als een stormbaan, dan een wereld vol betekenis. Iets is pas interessant als ze erop kunnen springen. Ik weet dat ik van dit moment  zou moeten genieten. Dat ik nu vertederd zou moeten zijn. Maar ik ben het niet. Ik baal dat ik op mijn vrije dag weer in een warme kas zit en niet in de zon. Het is bijna Valentijnsdag en daarom draaien we overuren in de rozenkas. Weekenden zijn gehalveerd en diensten verdubbeld.

         'Het is wij of de Mexicanen,' zegt de baas als ik weer bij de loopband sta in te pakken, ook al hoor ik bij de zaden. 'Wees blij dat je weekendtarief krijgt.'

         Voor de scheiding vond ik het wel aardig, Valentijnsdag, maar nu zegt ook dat me nog maar weinig. Urenlang andermans romantische cadeaus in cellofaan draaien en je krijgt vanzelf een hekel aan de liefde. We hadden naar de speeltuin moeten gaan. Dan zat ik nu een boekje te lezen en hielden andere kinderen mijn grut bezig. Boris propt de snoepwikkel in mijn tas en maakt rechtsomkeer.

         'Kus,' commandeer ik.

         Hij schuifelt terug. Drukt zijn klamme kindermond tegen mijn wang. Dan is hij weer weg. Aurelie in zijn kielzog. Zou deze middag een herinnering voor ze worden? En wat voor een?

         De zon breekt door en schijnt fel door het glazen dak naar binnen. Ik kijk omhoog, vraag me af of Joseph Paxton, ontwerper van het sierlijke Crystal Palace, botanicus en kassenman bij uitstek, dit glazen hok had kunnen waarderen. Boris zat ineens met het boek over die gozer achterin de auto. Hij had het bij ons wekelijkse bezoekje de bieb uit gesmokkeld. De plaatjes van het gigantische glazen gebouw intrigeerden  hem, maar toen hij ontdekte dat de tekst ver boven zijn begrijpend leven-niveau lag, had hij het boek tussen het kinderzitje en de achterbank gepropt. Waar ik het tussenuit trok en de kreukels weer recht kon vouwen. Ik bladerde er doorheen. Een  hoofdstuk begon met de titel 'Glas, het voertuig van vooruitgang.' Die zin las ik wel tien keer. Steeds moest ik naar het autoraam met de vettevingervlekken en dierenstickers kijken. De wereld leek ineens iets ruimer en onheilspellender. Ik legde het boek naast de Nicci French op mijn nachtkastje. Niemand die het mist in de bieb. Soms moet de geest ontspannen. Soms moet die worden gevoed. Een volkoren boterham naast een ijsje. Zo blijf je in balans.  

         Aurelie huilt. Ik volg de hoge uithalen, vindt haar achter een grote varen. Natte wangen, modder rond de mond. Bananenkots op de grond en schoenen. Weer denk ik aan Paxton met zijn wollige bakkebaarden. Niet dat hij ooit een kind heeft moeten troosten, maar de halfverteerde banaan aan onze voeten hebben we aan Paxton te danken. Geobsedeerd door een tekening van een exotisch voedselstilleven op het zijden behang in zijn slaapkamer, stuurde hij schepen naar China, op zoek naar de vruchten van zijn dromen. Met het gevonden zaad kweekte hij de banaan zoals wij hem nu eten, doopte hem de Cavendish-banaan en verscheepte hem naar alle koloniën. Ik omhels mijn dochter.

         'Ze was ineens niet lekker,' zegt Boris, net te snel. Als hij innerlijk ook op zijn vader lijkt, dan zal het liegen ongetwijfeld zijn tweede natuur worden. Maar nu nog niet. Nu heb ik hem door. Rond de varen ligt omgewoelde aarde.

         'Ik moest wurmpies eten,' snikt Aurelie.

         Ik druk mijn dochter met mijn ene hand tegen mijn borst en geef met de andere mijn zoon een tik tegen zijn achterhoofd. De tranen glanzen ogenblikkelijk in zijn ogen.

         'We gaan,' zeg ik.

         'Maar mam,' begint Boris.

         'Niks daarvan.' Ik til mijn dochter op, veeg haar mond af met mijn sjaal. Die moest toch al in de was. 'Ik moet nog eten maken. En voor jou maak ik een bordje gefrituurde luizen.'

          Hij snapt de grap niet. Kijkt me aan alsof ik hem met spijkers door de voeten en trechter in het keelgat zal dwangvoeren. Dan rent hij weg. Natuurlijk. Ik breng eerst Aurelie naar de auto. We zingen 'Op een grote paddenstoel' als ik haar in het kinderzitje zet en vastklik. Ik rol het raam een stukje naar beneden. Dan ga ik op jacht naar mijn zoon.

         'Ik tel tot vier, Boris Dickens,' roep ik en ik weet dat hij het hoort.

         Langzaam tel ik af, maar hoor geen kleppergeluiden. Paxton schijnt een aimabele man te zijn geweest. Volgens werknemers iemand die altijd een goed humeur had. Terwijl ik dag in dag uit tulpenzaad sta te kerven om een dubbel gekleurde blaadjeskrans te fokken, runde hij, naast de botanische tuin van Hertog Cavendish, een tuiniertijdschrift, ontwierp een van de meest iconische gebouwen van de 19e eeuw, deed er nog wat kasteeltjes en landhuizen bij, ontketende een revolutie in de bioindustrie met zijn kassen en importeerde de meest gegeten vrucht van de toekomst. Sommige mensen trekken de geschiedenis met twee handen vooruit. De rest groeit als onkruid in hun schaduw.

         'Boris!' Mijn stem slaat over.

         Ik hoor hem links van me en ik duik erachteraan. Langs de lianen, over het olifantenpaadje door het fakkelgras en dan zie ik zijn bleke stekels. Hij wurmt zich tussen stammen vol korstmossen. De moddervlekken die op zijn witte shirt verschijnen, maken mijn woede brandbaar. Ik vloek. Hij kijkt angstig om, spurt vooruit. Hij is een plant die niet wil groeien. Die zijn wortels het liefst uit zijn geboortegrond zou trekken. Alles om zijn moeder, zijn genetische voorganger, te ontlopen.

         'Boris!' roep ik nog eens maar het is al te laat. Hij kwakt in volle snelheid tegen de glazen buitenwand van de kas. Een grote scheur verdeelt het glazen paneel. Voordat het snikken in gebrul verandert, heb ik hem te pakken. Trek hem aan zijn arm mee, niemand heeft het gezien. Gedoe met de verzekering kan ik er nu niet bij hebben. Ik knijp net iets harder dan nodig is. Willoos laat hij zich meevoeren, de warmte uit. Er zwelt een blauwe bult op zijn voorhoofd. Een leermoment. Vooruitgang. Ja, deze dag zal hij niet meer vergeten.          

Gefascineerd kijkt Aurelie naar haar jankende broer. Terwijl de kilometers voorbij trekken, verzandt zijn gesnik in een kreunend zelfmedelijden waar hij langzaam van in slaap valt. Geen kristallen paleis voor mij, denk ik als ik naar mijn soezende, vuile kinderen op de achterbank kijk. Mijn meesterwerken bestaan uit snot en bloed. Als ik denk aan hoe vaak ze nog zullen botsen in de toekomst, aan alle bulten die ze zullen oplopen en scherven die ze zullen maken, dan wou ik dat ik iets stevigers had gebaard. Iets van bakstenen en specie. Ze zijn me te kwetsbaar, mijn kinderen, zo breekbaar als glas.

Toon Koehorst en Jannetje in 't Veld
GLAS. Voertuig van vooruitgang
Koehorst in 't Veld
Saint-Gobain Glass
Luxaflex Nederland

Dit project maakt deel uit van de programmalijn De Dingen en De Materialen en het dossier Serie over materialen.

De tentoonstelling GLAS laat zien hoe dit eeuwenoude door mensen vervaardigde materiaal nog altijd onlosmakelijk verbonden is met vooruitgang en ontwerpers blijvend uitdaagt tot experiment.