Een gesprek met Koehorst in’t Veld over Glas. Voertuig van Vooruitgang

In 2014 waren Jannetje in ’t Veld en Toon Koehorst als ontwerpers betrokken bij Hout, de eerste materiaaltentoonstelling in Het Nieuwe Instituut. Een jaar later volgde de tentoonstelling Glas. Voertuig van Vooruitgang waarvoor Koehorst in ’t Veld niet alleen het ruimtelijk en grafisch ontwerp verzorgde, maar tevens als curator optrad. In een kort vraaggesprek blikken de ontwerpers terug op de totstandkoming van de expositie en de betekenis van het curatorschap voor hun ontwerppraktijk.

Al bij het maken van de tentoonstelling Hout bemoeiden jullie je – weliswaar voorzichtig – met de inhoud. Het oorspronkelijk concept van tentoonstellingsmaker Dan Handel is door jullie aangevuld en naar de Nederlandse context vertaald. Hoe anders was het om aan Glas te werken?

‘Vrijwel altijd zal een tentoonstellingsontwerper reageren op het verhaal van de curator. Zo ging dat ook bij Hout. Onze toevoegingen volgden de verhaallijn die door Dan Handel was uitgezet. Bij Glas ontbrak zo’n fundament. Toch werd het snel ingevuld. De keuze van Het Nieuwe Instituut om de Wereldtentoonstelling als leidend thema te nemen voor de complete programmering van het gebouw, gaf ons direct een aanknopingspunt. Er ligt immers een prachtige connectie tussen glas en de oorsprong van de Wereldtentoonstelling, The Great Exhibition van 1851 in Londen. Voor dat evenement werd The Crystal Palace gebouwd: een immense glazen kas die dienst deed als expositieruimte. Toen we dat verband legden, was duidelijk dat het Crystal Palace onze metafoor en misschien zelfs ons tentoonstellingsmodel zou worden.’

Vervolgens ligt er een onafzienbaar veld van mogelijkheden voor je: van glas in de architectuur en het drinkglas tot glaskunst en het domein van de hightech glasindustrie. Hoe heeft The Crystal Palace jullie geholpen om het verhaal van de tentoonstelling te definiëren?

‘Bij het inlezen ontdekten we al snel hoe wonderbaarlijk en bijna alchemistisch glas is. Het is een materiaal van specialisten, en in dat opzicht heel anders dan hout dat door iedereen kan worden gebruikt. Bovendien werd duidelijk hoe belangrijk glas is geweest in de wetenschappelijke geschiedenis, en met een iets te groot woord: de beschavingsgeschiedenis. Glas is een materiaal van ontdekkingen. Zowel in de vorm van lenzen als in de glazen buizen van het laboratorium heeft het ons begrip van de wereld ingrijpend veranderd. Dat aspect zie je in The Great Exhibition weerspiegeld: wat daar werd getoond was het resultaat van wetenschappelijke nieuwsgierigheid, gekoppeld aan een industrieel productieproces en de verbeeldingskracht van ontwerpers. Voor ons was juist de verbinding tussen deze drie partijen relevant.’

Het feit dat je met deze tentoonstelling zowel op het terrein van de chemicus als dat van de architectuurhistoricus en bijvoorbeeld het wetenschapsmuseum opereert, zal toch ook voor problemen hebben gezorgd. Op geen van die gebieden kunnen jullie absolute expertise claimen.

‘Wij zijn maar op één gebied specialisten: dat van het beeld. En glas heeft uitgerekend in het maken van beeld een cruciale rol gespeeld. We volgen drie innovatiegeschiedenissen: die van de lens, de buis en de kabel. Door de glazen lens, de beeldbuis en bijvoorbeeld het röntgenapparaat kunnen we voorbij de grenzen van het menselijk oog kijken, en de glasvezelkabel vormt de ruggengraat van het internet waarmee we de complete wereld op een smartphone kunnen zien. Een aantal van de meest ingrijpende innovaties waarin glas instrumenteel is geweest, heeft onze blik verlengd, verdiept of toegang gegeven tot dimensies die voordien onzichtbaar waren. Als beeldspecialisten voelden we ons gelegitimeerd om dit thema aan te pakken. Het Nieuwe Instituut heeft ons als ontwerpers aangesproken en vanuit die invalshoek hebben we het onderwerp benaderd.’

Als je die benadering in één woord moet samenvatten, wat zou het dan zijn?

‘Verwondering. Verwondering over de complexiteit van het materiaal zelf, maar vooral ook het materiaal als een drager van menselijke nieuwsgierigheid en verwondering. Hoe glas voortdurend ons wereldbeeld heeft doen kantelen.’

Eerder gaf je aan dat The Crystal Palace méér was dan alleen een metafoor. Jullie veronderstelden dat het ook een model kon zijn. Hoe zie ik dat terug in het ruimtelijk ontwerp?

‘Het ontwerp reconstrueert aspecten van The Crystal Palace, waarbij we de materialen en ruimtelijke elementen van de 19de eeuw hebben vervangen door hun 21ste-eeuwse equivalenten. Dat zie je bijvoorbeeld in de toepassing van houten vloerdelen en luxaflex. Het meest bepalend voor het beeld van de installatie zijn de stalen elementen uit de moderne kassenbouw. Zoals Joseph Paxton destijds de botanische kas tot een tentoonstellingsgebouw maakte, benutten wij de typologie van de “glazen stad” voor onze expositie. De kassen van het Westland zijn de feitelijke dragers van de tentoonstelling geworden.

‘Waar mogelijk hebben we voor glazen buizen en lenzen gekozen als we media of verlichting nodig hadden. CRT-televisies, met een ouderwetse kathodestraalbuis, fungeren als beeldschermen, tl-buizen zorgen voor verlichting en bij de overheadprojecties zijn Fresnellenzen een onmisbaar onderdeel. Al die typen glazen buizen en lenzen tref je allereerst aan als museale objecten, maar voor ons was het belangrijk dat ze ook een functioneel onderdeel waren van de techniek achter de tentoonstelling.’

Glas belicht de vele ontdekkingen en weerspiegelt daarmee het optimisme van The Great Exhibition van 1851. Maar her en der komen ook schaduwzijden aan het licht. Met röntgentechnologie wordt op de luchthaven onze privacy geschonden; glasvezelkabels geven instanties als de NSA onbeperkt toegang tot het digitale dataverkeer.

‘Vergeleken met de andere presentaties rond het thema Wereldtentoonstelling was Glas zeker niet de meest maatschappelijk urgente expositie. Innovatiegeschiedenissen tonen allereerst vooruitgang. Ze hebben van nature een optimistische toon. Maar er zijn altijd conflicten mee verbonden, en die hebben we op enkele plekken belicht. Toch lag de urgentie wat ons betreft vooral in het herintroduceren van een ontmoeting die ten tijde van The Crystal Palace heel gewoon was en dat nu niet meer is. In The Great Exhibition waren wetenschap, industrie en ontwerpen nog volkomen natuurlijke bondgenoten. Bij een zo complexe materie als glas kan de ontwerper in zijn eentje weinig betekenen, ook vandaag nog. Samenwerking met producenten en onderzoekers is onmisbaar. Door de keuze van wetenschappelijke objecten, industriële materialen en de voorbeelden van design hebben we in de tentoonstelling precies die onderlinge afhankelijkheid willen benadrukken. Of anders gezegd: het primaat van design willen doorbreken. Soms tot hun teleurstelling moesten sommige productontwerpers vaststellen dat het niet hun werk was, dat in deze tentoonstelling de hoofdrol speelde.’

De lol van het publiek zit deels in de wonderlijke combinaties van designobjecten en stukken uit de depots van wetenschapsmusea en bedrijfscollecties. Als een soort Dierenbevrijdingsfront zijn jullie de kelders ingedoken om de kooien van allerlei verzamelingen te openen. Wat zegt dat over jullie opvatting van het curatorschap?

‘Het klopt dat we inderdaad niet alleen de ontwerpers of de curatoren van de grote lijn zijn geweest. We zijn ook de mensen die met intens genoegen depots doorzochten om er obscure objecten op te diepen. Prachtige voorwerpen die al jaren niet meer aan het publiek waren getoond. En wat het meest bijzonder is: ze kwamen plotseling in de context van design te staan waardoor een nieuw verhaal kon ontstaan. Dat is waar we als tentoonstellingsmakers naar zoeken. Hoe we die tijdelijke ontmoeting zo kunnen ensceneren dat er verrassende relaties ontstaan. Hoe objecten uit totaal verschillende werelden elkaar – al is het maar voor even – wat beter leren kennen.’

Welk effect heeft het werken aan Glas gehad op het begrip dat jullie hebben van je rol als ontwerpers?

‘Kort na onze ontwerpopleiding zijn we het tijdschrift Frame gaan ontwerpen, wat we destijds combineerden met een vervolgstudie aan de universiteit. Eigenlijk zie je beide perspectieven hier weerspiegeld. Glas zou je kunnen opvatten als de pendant van een thematisch tijdschrift, waarin essays voorkomen maar ook kritische beschouwingen, interviews, columns en zelfs advertenties. Al die genres zijn in de tentoonstelling terug te vinden. Alleen waren we in dit geval niet de ontwerpers die af en toe een inhoudelijke suggestie deden aan de hoofdredacteur; we voerden hier zelf de redactie. En met plezier. Daarnaast is de tentoonstelling de neerslag van een grondig onderzoek waarin we de inhoudelijke complicaties van het onderwerp niet uit de weg zijn gegaan.

‘Meer en meer begint dat spoor zich in ons werk af te tekenen. Soms nemen we de gedaante aan van een archivaris of een journalist, soms die van een curator of een eindredacteur. In de basis gaat het altijd over de verhalende kracht van het beeld, en dus over het ontwerperschap. Maar het werken aan Glas heeft ook bevestigd hoeveel interessanter het speelveld van de ontwerper kan worden als je het volledige scala aan rollen mag vervullen.’

Gert Staal

 

 

 

 

Toon Koehorst en Jannetje in 't Veld
GLAS. Voertuig van vooruitgang
Koehorst in 't Veld
Saint-Gobain Glass
Luxaflex Nederland

Dit project maakt deel uit van de programmalijn De Dingen en De Materialen en het dossier Serie over materialen.

De tentoonstelling GLAS laat zien hoe dit eeuwenoude door mensen vervaardigde materiaal nog altijd onlosmakelijk verbonden is met vooruitgang en ontwerpers blijvend uitdaagt tot experiment.